Wilt u reageren? Mail dan uw reactie naar onze redactie. | |
|
De redactie van Ekoland wil dit jaar graag deskundigen aan het woord laten die een kritische mening hebben over (een deel van) de biologische landbouw. In nummer 4/2010 een betoog van dr.ir. Prem Bindraban, directeur van het ISRIC - , World Soil Information. De biologische landbouw kan niet duurzaam zijnDoor: dr.ir. Prem Bindraban, directeur van het ISRIC - , World Soil Information Hoe natuurlijk klinkt het woord biologisch. Die emotie is de sterkste troef van de biologische landbouw. Daarmee kan de biolandbouw zijn marktaandeel vergroten en claimen dat het systeem duurzaam en gezonder is. Maar biologische landbouw is ecologisch onduurzaam, met zeer nadelige gevolgen voor natuur en milieu. Het is bovendien niet bewezen dat biolandbouw gezonder is én het vergroot de armoede en het voedselprobleem in de wereld. Aan de hand van het uitsluiten van kunstmest illustreer ik dat het concept onduurzaam is. Planten hebben voedingstoffen nodig. Die werden vóór het tijdperk van de kunstmest op het akkerland gebracht door de mest van grazend vee op de omliggende graslanden en van organisch afval. De opbrengsten waren zeer laag door een tekort aan voedingstoffen. Rond 1900 kon een boerengezin van een areaal van ongeveer 20 hectare net voldoende voedsel produceren voor zichzelf en één extra gezin. De levensomstandigheden waren erbarmelijk, de gezondheid slecht en het niveau van de consumptie was laag. Kunstmest niet verbieden Een rekenvoorbeeld geeft aan waar het spaak loopt. De stikstofbehoefte wordt gerealiseerd met vlinderbloemigen die maximaal 300 kg stikstof per hectare per seizoen in Nederland kunnen binden bij verder optimale condities, zoals voldoende P en waterbeschikbaarheid. Bij een rotatie met twee graangewassen heb je een gemiddelde beschikbaarheid van 100 kg N ha-1y-1. Een opname-efficiëntie van 50% geeft 50 kg N in het (graan)gewas, wat met 20 kg N per ton resulteert in een maximaal opbrengstniveau van 2-2.5 ton ha-1y-1. Vergelijkbare getallen zijn voor rijst berekend, waarbij het varentje Azolla, dat in de waterlaag leeft, in symbiose met een bacterie Azotobacter stikstof bindt. Nu bereikt de biologische landbouw in Nederland ruim de helft tot bijna driekwart van de opbrengsten (5-6 ton ha-1) in de gangbare landbouw. Dit kan omdat we met de import van veevoer grote hoeveelheden voedingstoffen onttrekken uit het buitenland. De boer onttrok de nutriënten tot 1900 uit zijn directe omgeving terwijl hij het nu uit de hele wereld haalt. De landbouw ten zuiden van de Sahara heeft zich nauwelijks ontwikkeld over de afgelopen vier tot vijf decennia. De opbrengst van de graangewassen is er met niet meer dan 10-20 kg ha-1y-1 gestegen, terwijl ze 10 tot 20 keer sneller zijn toegenomen in Europa. Zelfs de opbrengsten van meer lokale soorten als bananen en cassave zijn buiten het continent vele malen sneller verbeterd. De bodems in Afrika staan bekend om een lage vruchtbaarheid. Het oogsten van een gemiddeld graangewas dat 1.5 tot 2 ton ha-1 opbrengt, onttrekt al 20-40 kg stikstof aan de bodem, enkele kilogrammen fosfaat en andere nutriënten. Met een gemiddelde gift van nog geen 10 kilogram kunstmest worden de bodems uitgemijnd, wat leidt tot verder verval van het productiesysteem. Uiteraard moet bemesting beschikbaar en betaalbaar zijn, wat problematisch is, maar dat rechtvaardigt niet de claim om uit te roepen dat landbouw ook daar 'biologisch' bedreven moet worden. Er moet worden gewerkt aan de infrastructuur, marktcondities etc. Het rekenvoorbeeld voor Nederland met een opbrengst van 2-2.5 ton per hectare is bij lange na niet haalbaar in die landen omdat andere nutriënten, zowel fosfaten als micro-nutriënten, beperkend zijn. Daarmee doet een claim dat biologische landbouw duurzaam zou zijn meer kwaad dan goed, zeker als het beleid dergelijke praktijken gaat ondersteunen, zowel in Nederland als voor ontwikkelingslanden. Het verbieden van het verstandig gebruik van kunstmest leidt juist tot ecologische, economische en sociale problemen. Dat zien we terug in de zeer lage opbrengsten; een vergelijkbare situatie als in Nederland rond 1900. Biolandbouw kan wereld niet voeden De concepten van de biologische benadering hebben eeuwen stand gehouden in het Nederland van voor 1900. Ook valt te beredeneren waarom de teelt van rijst onder geïnundeerde omstandigheden 'duurzaam' voor duizenden jaren volgehouden kon worden. Zolang de druk op het land dermate laag is dat opbrengstniveaus van 1.5 tot 2 ton volstaan om de bevolking te voeden, kan het systeem voortduren. Met de toenemende bevolking, maar vooral met de toenemende welvaart waarbij we voor ons dieet veel meer voedsel en andere producten nodig hebben, zal de productiviteit van het land echter drastisch omhoog moeten. Reeds in de zeventiger jaren is al uitgerekend dat de toenmalige bevolking van 13 miljoen Nederlanders op een biologische wijze gevoed kan worden, maar dan wel met een vegetarisch dieet gelardeerd met een flinterdunne spekrand. Ik heb voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid begin 90-er jaren al uitgerekend dat we de wereldbevolking niet op van een fatsoenlijk dieet kunnen voorzien met biologische landbouw, waarbij we ook nog eens miljarden hectaren extra land nodig zouden hebben, wat ten koste gaat van de biodiversiteit. De claim van een recente studie, dat biologische landbouw de wereldbevolking wel kan voeden, is inmiddels eenvoudig wetenschappelijk weerlegd. De intenties om een bijdrage te leveren aan een betere wereld vanuit de biologische landbouw zijn goed bedoeld, maar de benadering helpt ons van de regen in de drup. Het wordt de hoogste tijd om de consument volledig voor te lichten over de ecologische aspecten en over de consequenties van de keuze voor biologische landbouw ten aanzien van haar consumptiegedrag. Hoe zou die keuze dan uitvallen? REACTIES Biologische landbouw groeit niet voor niets wereldwijdDoor: Bertus Buizer, Buizer Advies Een goed initiatief van de redactie van Ekoland om dr. ir. Prem Bindraban aan het woord te laten over zijn kritische blik op biologische landbouw. Zijn betoog heb ik met belangstelling gelezen. Ik herkende daarin overigens meteen standpunten van prof. Ruddy Rabbinge ("Het is immoreel om de Afrikanen te belasten met onze hobby's.") en prof. Louise Fresco, waarover ik beiden in het verleden al eens heb gehoord en die ik altijd onbegrijpelijk heb gevonden. Met de jaren heb ik mijn eigen standpunt ten aanzien van biologische landbouw bepaald en getoetst. De landbouw met kunstmest Het gebruik van kunstmest en chemische middelen in de afgelopen decennia heeft niet voorkomen dat het aantal mensen in de wereld dat honger lijdt inmiddels tot een recordhoogte is gestegen. Ruim een miljard personen, een zesde van de wereldbevolking (!), heeft structureel te weinig eten (Bron: FAO). Tegelijk met de moderne gangbare landbouw heeft het werken met chemisch synthetische gewasbeschermingsmiddelen, waarvan sommige in westerse landen al lang geen toelating meer hebben, in ontwikkelingslanden ook ongelukken veroorzaakt. Van heel dichtbij weet ik, dat in 1999 een meisje in Kameroen een pijnlijke dood stierf, doordat zij water had gedronken uit een blikje waarin DDT had gezeten. Ik vind dit illustratief voor alle gevaarlijke en milieuvervuilende stoffen waarmee wij uit het Westen de mensen in ontwikkelingslanden opzadelen. Spuitlicentiecursussen heb je daar bovendien niet. Verleden en heden Vergeleken met het merendeel van de boeren in het Westen, is het overgrote deel van de boeren ten zuiden van de Sahara in staat gebleken om langer met hun traditionele landbouwmethoden zonder kunstmest in hun bestaan te voorzien. Zij hebben zelf methoden ontwikkeld om de gewassen aan de nodige voeding te helpen, waaronder stikstof. Onze gecertificeerde biologische productiemethode sluit daar beter op aan dan onze gangbare landbouw. In Kameroen, waar ik in de jaren 70 ruim tweeënhalf jaar werkte, was ik onder de indruk van de methode waarop boerinnen daar hun gewassen bemestten. Vlak voor de teelt maakten zij teeltruggen bovenop een rij plantenresten, die zij daar verzameld hadden. Vervolgens staken zij die plantenresten in brand, zodat de mineralen daaruit benut konden worden door het gewas. Vervolgens zaaiden zij in de teeltruggen de zaden van pinda's, bonen en maïs en plantten zij verspreid ook stekken van bananenplanten. Een mengteelt dus van twee vlinderbloemige en twee niet-vlinderbloemige gewassen, kleinschalig. In het Sahel-land Tsjaad, waar ik tot 1986 vier jaar werkte, bleek de mengteelt van sorghum en de vlinderbloemige Cajanus cajan (duivenerwt; 22% eiwit) een goede combinatie als alternatief voor de teelt van alleen sorghum, die sommige boerinnen in het betreffende gebied wel afwisselden met de teelt van bonen. De Cajanus cajan bond voldoende stikstof uit de lucht om een goede sorghumoogst mogelijk te maken. Wat is mogelijk? Toepassing van compostering van organisch afval, dierlijke organische mest, mengteelt, waterbronnen, (klassieke) veredeling (o.a. voor droogteresistente , N-efficiëntie, zouttolerantie, etc) en kennis kunnen helpen de voedselproductie substantieel te vergroten. Uitgangspunt daarbij is een goede gezondheid van bodem en bodemleven voor een gezond en productief gewas. Dat is precies ook de basis van biologisch. En dat werkt! Uit het United Nations Environmental Programme 2008, Annual Report Jaarverslag 2008 VN-Milieuprogramma) blijkt, dat bij 114 projecten in 24 Afrikaanse landen de oogst meer dan verdubbelde door toepassing van biologische of bijna-biologische productiemethoden. Wat is er nodig? Om de honger in de wereld aanzienlijk te verminderen moeten wij leren van de inzichten van de boerinnen ten zuiden van de Sahara en zullen we de successen die de biologische landbouw het afgelopen decennium heeft geboekt via een goede kennisuitwisseling met meer boerinnen, boeren en burgers in ontwikkelingslanden moeten vertalen naar hun situatie. Daarbij moet het niet alleen gaan om landbouwbedrijven, maar ook om de kleinst mogelijke groentetuin, dichtbij de beleving van iedereen. Goede communicatie, micro-credits, goed landbouwonderwijs, goede kadervorming en internationaal samenwerken met boerenorganisaties horen er allemaal bij. Het moet om veel meer gaan dan stikstof, fosfaat, kali en water. En Europa moet natuurlijk meer zijn eigen (eiwitrijke) veevoeders gaan verbouwen. Daarin heeft dr. ir. Prem Bindraban gelijk. Als het maar geen hobby blijft. Duurzame kunstmest?Door: C.H. van Rijn Het woord duurzaam in ruime zin wordt met de meest uiteenlopende zaken verbonden. Het woord is dan ook verworden tot een vlag die alle ladingen dekt. Zo kan het dan ook zijn dat, de biologische landbouw onduurzaam en de gangbare landbouw duurzaam genoemd wordt, zoals in het betoog van dr.ir. Prem Bindraban. Zonder dat het expliciet geformuleerd wordt, kan uit dit betoog een definitie van duurzaamheid gedestilleerd worden. Gesteld wordt dat de biologische landbouw door het afzien van het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen per oppervlakte, in verhouding tot de gangbare landbouw, een lagere productie heeft. De biologische landbouw behoeft dan om eenzelfde hoeveelheid voedsel te produceren, een groter areaal. De on-duurzaamheid van de biologische landbouw zou dan liggen in deze lagere productie, wat betekent dat duurzame landbouw, landbouw is met een hogere productie. Duurzaamheid betekent dan; maximale productie. In tegenstelling tot duurzaamheid in ruimte zin is er ook duurzaamheid in strikte zin, duurzaam in deze strikte zin is datgene wat bestemd is om te duren. Zoals verduurzaamd hout, hout is dat op bepaalde wijze is behandeld zodat het minder snel zal vergaan. Nu betreft deze strikte vorm van duurzaamheid niet alleen iets statisch en eenvoudigs zoals een houten paal, maar ook iets bewegelijks en complex, zoals een ecosysteem. Het betoog van dr.ir. Prem Bindraban bestaat dan uit een analyse die geen recht doet aan de complexiteit van het agro-ecosyteem dat in het geding is. De analyse is slechts een beperkte berekening gemaakt op basis van niet expliciet gemaakte aannames. Een berekening waarvan de uitkomst uit deze aannames voortvloeit. Dit kan worden verduidelijkt aan de hand van het, ook door dr.ir. Prem Bindraban gebruikte voorbeeld van kunstmest. Kunstmest staat niet op zichzelf, zij is al ingebed in een bepaalde benaderingswijze van de natuur, in een bepaalde mentaliteit, de NPK-mentaliteit. Deze mentaliteit bestaat ten eerste uit de voorkeur die uitgaat naar kunstmest-bemesting. De plant wordt met kunstmest gevoed, op basis van Liebig's wet, om te komen tot een maximale productie. Liebig's wet, of de wet van het minimum, stelt dat de productie wordt bepaald door de nutriënt die het minst aanwezig is. Deze benadering gaat echter noodzakelijkerwijze gepaard met een simplificatie, er wordt altijd maar een beperkt spectrum van nutriënten in ogenschouw genomen, bovendien wordt er een nog wezenlijker simplificatie gemaakt, de levende bodem wordt namelijk geabstraheerd tot een substraat, dat een beperkte verzameling nutriënten bevat. Iets wat met de teelt op substraat letterlijk gestalte krijgt. Een hieraan tegengestelde organische benadering kan worden gexemplificeerd aan de hand van Howard's wet, de wet van terugkeer. Hierbij wordt in navolging van de natuur al het organische materiaal aan de bodem teruggegeven, waardoor in eerste instantie de bodem wordt gevoed. Een gezonde bodem draagt de gezondheid van het gehele bodem-plant-dier-menssysteem. Een ingreep in dit systeem heeft meerdere effecten, het toedienen van kunstmest kan dan ook verstorend werken. Kunstmest brengt dus als vanzelf al een bepaalde benaderingswijze met zich mee. Wanneer de bodem niet voldoende gevoed word en planten groeiend vanuit deze ongezonde bodem, slechts een beperkt aantal nutriënten, in de vorm van kunstmest krijgen toegediend, zal ook de voedingswaarde afnemen. In het westen is dan ook de situatie ontstaan waarin mensen zowel lijden aan overgewicht als aan ondervoeding. Het lijkt dit gangbare westerse dieet te zijn, waar ook kunstmest een deel van uitmaakt, waarmee dr.ir. Prem Bindraban de wereld wenst te voeden. Het dieet wordt niet kwalitatief, maar kwantitatief benaderd. Zoals ook het voedselvraagstuk kwantitatief wordt verstaan als een voedseltekort, terwijl het probleem eerder ligt bij de distributie dan de productie van voedsel. Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd aan de hand van de ook door dr.ir. Prem Bindraban genoemde grootschalige Europese import van veevoer uit derde wereld. Bot gezegd, Nederlandse bio-industrie varkens hebben een grotere koopkracht dan de Braziliaanse armen. Een uitkomst van kunstmest is dus het voedsel dat ermee geteeld wordt. Maar er gaat ook veel kunstmest verloren, bijvoorbeeld door uitspoeling. Dit proces van eutrofiëring leidt tot een vergiftiging van de natuur. Schrikwekkende voorbeelden hiervan zijn de zogenaamde dode zones, zoals de beruchte dode of hypoxische zone in de golf van Mexico. In deze dode door kunstmest geschapen zones in zee leeft door zuurstofgebrek niets meer dan algen. Wanneer dr.ir. Prem Bindraban de wereld met een westers dieet wenst te voeden, wenst dr.ir. Prem Bindraban iedereen een dieet toe dat is gedrenkt in fossiele brandstof Het kost tegenwoordig 7 tot 10 calorieën energie om 1 calorie op het bord beschikbaar te krijgen. Een verhouding die op een boerderij rond 1900 een hele andere was. Rond 1900 werd de landbouw nog vrijwel volledig door de zon aangedreven, tegenwoordig draait de landbouw niet meer zonder haar forse hulpmotor, die loopt op fossiele brandstoffen. Het fossiele brandstof verbruik van de landbouw wordt bepaald door vele factoren, maar een van deze factoren is kunstmest. Wanneer duurzaam in strikte zin datgene aanduidt wat het gegeven is om te duren, kan een agro-ecosysteem dat afhankelijk is van externe eindige hulpbronnen en dat zijn eigen afval niet in haar kringloop kan opnemen, niet duurzaam genoemd worden. Prem BindrabanDoor: G.J.M. Oomen Al meer dan veertig jaar sabelen wetenschappers, die beter zouden kunnen weten, hun eigen beeld van de biologische landbouw neer. Prem Bindraban is een van hen. Dat beeld wordt ook door sommige voorstanders van de biologische landbouw hoog gehouden, maar de werkelijkheid en de regelgeving zijn anders: op biologische bedrijven wordt kalk, fosfaat, kali, zwavel, magnesium en de hele rits sporenelementen gegeven, wanneer deze onvoldoende beschikbaar zijn. Waar mogelijk in organische vorm en anders in minerale vorm. We weten inmiddels dat je pas goed biologisch kunt telen wanneer de grond chemisch (en fysisch) in orde is. De verdere discussie over plantenvoeding gaat dan alleen nog over stikstof. Biologische landbouw is veel meer dan stikstof en de argumenten om geen kunstmeststikstof te gebruiken zijn niet zo helder - in mijn ogen worden ethiek en esthetiek door elkaar gehaald - , maar Bindraban zijn rekenvoorbeelden zijn veel te eenvoudig om er zijn ver reikende conclusies uit te trekken. Zelf heb ik ooit het Europese voedingspatroon omgerekend naar een gemengd bedrijf in de Nederlandse polder en een van de conclusies was dat biologische stikstofbinding volstaat om de productie op een voldoende hoog niveau te houden , wanneer de stikstofverliezen uit mest en grond binnen de wettelijke normen blijven. Wat is voldoende hoog? Laat ik een voorbeeld uit de praktijk geven: een gemengd bedrijf in Frankrijk op een heel gewone grond, al jaren zonder aanvoer van mest, voer of stro. De opbrengsten van luzerne, maïs en zonnebloemen doen er niet onder voor die op goede gangbare bedrijven in de buurt, maar de opbrengst van de wintertarwe is er lager (ca. 60%). Inderdaad, voornamelijk door een tekort aan stikstof. Daar is binnen het bedrijf wel wat aan te doen, maar de prijs van de tarwe is zo laag, dat de moeite die daarvoor genomen moet worden, onvoldoende beloond wordt. En zo is het in grote delen van de wereld: de prijzen van de producten zijn zo laag, dat men niet de moeite neemt de opbrengsten te verhogen of dat men het land maar braak laat liggen. Ik heb dat in Rusland gezien, in China, India , Indonesië, Frankrijk, Kroatië, Portugal, Ethiopië, Ghana, Ivoorkust, Chili en nog wat landen. Het suggestieve plaatje bij het artikel van Prem Bindraban heeft niets met biologische landbouw te maken en alles met armoede, het niet op kunnen tegen de rijke regio's, waar investeringen in de landbouw renderen. Gangbare landbouw is onduurzaamDoor: Eric A. Goewie Voor Bindraban, specialist in agrosysteemonderzoek is het duidelijk: biologische landbouw is emotioneel, onduurzaam, bodemvruchtbaarheid verlagend en honger bevorderend. Zijn theoretische berekeningen vindt hij betrouwbaar. Als overheden en boeren nu maar doen wat zijn vak adviseert, dan wordt de wereld vanzelf duurzaam en vrij van honger. Eigenlijk zegt hij de werkelijkheid heeft fouten gemaakt, niet onze berekeningswijzen en aannames. Ik heb een ander beeld. Voedselvoorziening in de wereld is wetenschappelijk, technologisch, economisch en sociaal van aard. Het mooie van modelmatige benaderingen is dat resultaten uit hard en zacht onderzoek een rol mogen spelen. Dat blijkt ook uit 'Grond voor keuze', de WRR studie waar Bindraban aan meegewerkt heeft. Uit die studie blijkt dat het scenario waar harde en zachte onderzoekgegevens in meegenomen zijn, weldegelijk de groeiende wereldbevolking op lange termijn kan voeden. Dat heeft de FAO in de eigen studie van 2007 ook vastgesteld. In een AWT-studie over de kunst van innovatie, zeggen succesvolle ondernemers dat spanningen tussen hard en zacht onderzoek binnen de industrie altijd ontstaan zodra er aparte afdelingen komen voor wetenschappelijk onderzoek, productie en marketing. Zij zorgen er daarom voor dat de scheidsmuren daartussen niet bestaan. Evenals het personeel van zulke ondernemingen moeten onderzoekers de werkelijkheid waarvoor zij kennis ontwikkelen doordenken op het punt van hun discipline, technologie ontwikkeling, productie wijze, marketing en afzet. De berekeningswijze van Bindraban is van het harde type. Daarom kloppen zijn conclusies niet in de praktijk. Ze gelden nl alleen voor geconditioneerde proefsituaties. Wanneer je de principes achter het voorspellend modelonderzoek gaat gebruiken voor het ontwerp van rekenregels die in de werkelijkheid van de biologische landbouw kunnen worden gebruikt, zie je dat biologisch weldegelijk de bodem beschermt, genoeg produceert, zuinig is met mineralen of ziekten weet te voorkomen. Een voorbeeld: het N-DICEA model, ooit ontworpen door de toenmalige vakgroep ecologische landbouw van de Wageningen Universiteit, houdt rekening met naleveringseffecten van in de bodem opgebouwde organische bestanddelen. De biologische produktie van granen is dan ook aanmerkelijk hoger dan de berekening van Bindraban voorspelt. Ook de fosfaatvoorziening in biologische teelten is minder problematisch dan Bindraban wil doen geloven. Dorien Dekkers en vele anderen hebben overtuigend bewezen dat VA-Mycorrhyza en regenwormen een grote rol spelen bij optimalisatie van de fosfaat- en vochtvoorziening van gewassen in gematigde als ook in tropische gebieden. Dat kan alleen in bodemecologisch gezonde bodems en die verdwijnt bij regelmatig kunstmest gebruik. Evenmin is het waar dat kunstmest in de biologische landbouw onder alle omstandigheden ecologisch ongewenst is. Een beperkte toevoeging van kunstmest draagt bij aan snellere mineralisatie van in de bodem aanwezige hoeveelheden organisch stof. Dat kunstmest niet in de biologische landbouw mag worden gebruikt komt voort uit Europese regelgeving die de controleerbaarheid ervan gemakkelijker vindt bij nul dan bij een beetje. Bindraban verklaart de geringe ontwikkeling van de landbouw ten zuiden van de Sahara uit te veel onttrekking van stikstof en fosfaat uit de bodem die van nature al erg arm is. Maar in het noorden van Malawi is bewezen dat systematische verhoging van het organisch stof gehalte van de aldaar aanwezige, arme lateriet bodems, in combinatie met geoptimaliseerde gewascycli, weldegelijk bijdraagt tot aanzienlijke produkties zonder toevoeging van kunstmest. De landbouwvraagstukken van landen in zuidelijk Sahara worden door Van Eijk verklaard door het autonome karakter van specialistische (harde) modelleringstechnieken. Ellul spreekt van 'autonome techniek' om aan te duiden dat technologie altijd een eigen wetmatigheid heeft die ontsnapt aan bewust maatschappelijke sturing. We doen alsof de modelleringstechnieken in de landbouw een uniform hulpmiddel zijn voor alle problemen. Hij noemt dat 'technologische bluf'. Wanneer je zachte factoren in berekeningen zou toelaten dan zien we dat slechte oogsten hoofdzakelijk verklaard worden uit het fenomeen dat boeren er niet weten samen te werken. Ik ben van mening dat honger in de wereld laat zien dat er iets fundamenteel fout zit in onze harde, geïndustrialiseerde en rationeel gedachte manier van landbouw willen plegen. Ik denk dat de reductionistische benadering van de landbouwproduktie wetenschap momenteel met lege handen staat. Doorgaande specialisatie maakt dat het geheel waar de landbouw zich nu eenmaal in moet afspelen, uit het zicht is verdwenen. Mijn ervaring is dat het geringe succes van landbouwwetenschappers in ontwikkelingslanden te vaak willen werken met westerse landbouwwetenschappelijke benaderingswijzen en dat lukt niet. Harde en zachte kennis schreeuwt er om verbinding, maar ja dan kloppen de berekeningen van Bindraban weer niet. Biologische landbouw is een zeer interessant concept dat wetenschappelijk meer aandacht verdient dan het nu in Nederland krijgt. Met aangepaste berekeningswijzen, geschikte onderzoekslokaties en intensieve samenwerking met biologische boeren zal aangetoond worden dat biologische landbouw meer dan genoeg produceert, ecosystemen helpt onderhouden en ook nog gezonder is voor mens en dier. Maar om dat te bewijzen moet je ook willen. Kringloopdenken in plaats van wetenschappelijke eenvoud!Door: Henk Kloen, senior adviseur CLM In het vorige nummer van Ekoland heeft Prem Bindraban "eenvoudig wetenschappelijk weerlegd" dat biologische landbouw de wereldbevolking kan voeden. Mij is zijn bewijs iets te kort door de bocht en daarbij vergeet hij een paar verbetertips mee te geven aan biologische boeren die nog niet van stoppen zijn overtuigd. Bindraban's betoog betreft alleen de input in de plantaardige (akkerbouw) sector. Hij berekent dat in een vruchtwisseling met tarwe en vlinderbloemigen, zonder verdere bemesting, een stikstoftekort optreedt en de opbrengst laag zal blijven. Het tekort aan stikstof dat hij signaleert kan echter worden voorzien door de veehouderijsector. Daar is meer N uit biologische N-binding binnen te halen dan ter plekke nodig is door uitgebreide toepassing van grasklaver. De mest kan geruild worden voor stro en eventueel aanvullend veevoer. Een groter duurzaamheidsprobleem dan N-input betreft de P-input en de afvalstromen die we wereldwijd creëren. Op termijn is de P-voorziening voor de landbouw in het geding, zoals dat nu in Afrika al het geval is, en wat Bindraban ook al aangeeft. Door meer in kringlopen te denken, over de grenzen van bedrijven heen, komen oplossingen in beeld. We zullen N en P efficiënter moeten gebruiken en terugwinnen, ook uit consumenten afval en riolering. Afvalstromen moeten meststof worden, cradle to cradle. Toch zijn uit Bindraban's betoog ook een paar aandachtspunten voor de biologische boeren en onderzoekers te destilleren. Hoe zijn we in staat de N-efficiëntie van ruwweg 50% te verhogen? Hoe kunnen veehouderij en akkerbouw/groententeelt nog beter samenwerken? Hoe kunnen we stedelijke afvalstromen aankoppelen? Het beantwoorden van deze vragen lijkt me een stuk vruchtbaarder dan de biologische sector als kind met het badwater (de afvalstromen) weg te gooien. De Biolandbouw moet zichzelf niet in de voet schietenDoor: Herbert van Rossen In Ekoland van April behandelt Dr. Prem Bindraban een belangrijk onderwerp; namelijk het begrip 'kunstmest' . Daarbij speelt mijns inziens een rol, of bij de menskundige ingreep sprake is van natuurlijk, of voor mijn part organisch materiaal enerzijds en of anderzijds van chemisch samengestelde producten, welke uiteraard verwerpelijk zijn. Mag ik dit als belangrijk discussiepunt voorleggen, in het licht ook van de vernieuwde mestregels, zoals deze vanwege SKAL zijn opgelegd? Hierbij speelt voor mij zowel de 'intrinsieke' waarde van de voortgebrachte planten een rol, als het voortbestaan van de ecologische bedrijven zelf. Laten wij onszelf niet in de voet gaan schieten! Dat is voor mij een belangrijke gedachte. Voldoende N in de luchtDoor: Gerjan Slingenbergh, BD pluimveehouder Het heeft me verbaasd dat de redactie van ons vakblad Ekoland een artikel van Prem Bindraban, over het niet duurzaam zijn van de biologische landbouw, durft te plaatsen. Een wetenschapper die gangbaar denkt en meestal negatief over de biologische landbouw schrijft, draagt niet bij tot een evenwichtige biologische landbouw. Er is op zich niets mis met het plaatsen van de mening van een gangbaar denkende wetenschapper, maar die mening klopt niet. Vandaar mijn reactie. Het hele verhaal wordt opgehangen aan het feit dat de gewassen door een tekort aan N te weinig produceren. Echter, creatieve biologische boeren lossen dat op door granen in combinatie met vlinderbloemigen te telen. Biologische veeboeren hebben een mengsel van gras en klaver. Men kan het gras ook vervangen door luzerne. Op mijn bedrijf (zandgrond) teel ik tarwe in combinatie met lupine, zonnebloemen met bonen, mais met bonen, koolzaad met erwten en spelt met wikke. Door de teelt van deze mengsels haal ik meer eiwit van een hectare dan een gangbare chemische boer. Mijn gangbare collega's halen ca. 6-7 ton tarwe van een hectare op zandgrond. Gemiddeld zit er ca. 11 procent eiwit in deze tarwe. Totaal dus 660 - 770 kg eiwit. Op mijn 'arme' zandgrond haal ik ongeveer 4 ton van de combinatie tarwe-lupine. 2500 kg tarwe en 1500 kg lupine. Doordat de lupine veel N aanvoert, is het eiwitgehalte in de tarwe veel hoger dan in een monocultuur. De laatste jaren kom ik gemiddeld aan 15%. In de lupine zit ongeveer 35 % eiwit. Samen geeft dat ca 900 kg eiwit van een hectare. Hoezo is de biologische landbouw niet duurzaam? Er zit voldoende N in de lucht om op deze methode twee keer de wereldbevolking te voeden zonder chemische middelen. Prem Bindrabans artikel in Ekoland 4, over de wereldwijde landbouw, heeft de gemoederen flink beroerd. In het meinummer waren enkele ingezonden brieven te lezen en op de Ekoland-website woedde de discussie voort. Prem Bindraban geeft hierop een algemene reactie. Het moment voor een wetenschappelijke discussie lijkt nog ver wegDoor: Dr. Prem Bindraban De mogelijkheid die Ekoland heeft geboden om de vesting van de biologische landbouw te betreden is bemoedigend. Vele malen heb ik tevergeefs geprobeerd om samen onderzoek te doen naar de duurzaamheid (iets wat inderdaad gespecificeerd moet worden) van de biologische landbouw. Telkenmale werden in mijn beeld vage (of liever 'zachte') argumenten aangehaald om het af te houden met kwalificaties als reductionistisch versus holistisch, te eenvoudig, geen compleet beeld, complexiteit, het model doet de werkelijkheid geweld aan enzovoort. Merkwaardigerwijs gaan de deskundigen niet expliciet in op de door mij aangehaalde berekeningen. Alleen pluimveehouder Gerjan Slingenbergh rekent voor dat hij 900 kg eiwit van een hectare haalt, gelijk aan ±150 kg. stikstof; op zich geen irreëel getal. Echter, als dat een continu jaarlijks productieniveau is, dan ben ik zeer benieuwd naar het totale (holistisch?) nutriëntenbalans van het gehele 'pluimvee'-bedrijf. De gedachten van Henk Kloen over vruchtwisselingen, gemengde plant-diersystemen en het sluiten van kringlopen onderschrijf ik volledig zoals ik heb onderbouwd als zijnde relevante strategieën voor de landbouwontwikkeling in Afrika. Deze aspecten zijn echter conceptueel reeds verdisconteerd in mijn rekenvoorbeeld. Uiteindelijk zullen die stikstof moleculen toch ergens vandaan moeten komen; de conversie van inert stikstof naar reactief stikstof is een zeer energie-intensief proces. Wat overblijft, is een reeks aan argumenten die ik niet heb besproken, zoals slachtoffers door het drinken van besmet water, overgewicht, bio-industrie, overmatig energiegebruik en lage prijzen van voedsel. Teleurstellend dat de schuld voor al deze wereldse problemen in de schoenen van de gangbare of geïntegreerde landbouw worden geschoven. Erger nog, deze klaagzang stort alles wat 'niet-biologisch' is over mij uit alsof ik door mijn analyse en kritische kanttekeningen over de biologische landbouw meteen voorstander van al die andere zaken zou zijn. Dat is een ontwijkende vorm van discussie die steeds terugkomt en de wetenschappelijke discussie niet aangaat. Het gaat er in de wetenschap niet om te bewijzen dat iets waar is, zoals Eric Goewie wanhopig uitspreekt ("Maar om dat te bewijzen, moet je ook willen."). Nee, de wetenschap zoekt juist naar argumenten om hypothesen en bestaande inzichten te verwerpen. Misschien moeten we het van het 'boerenverstand' hebben en wordt pluimveehouder Gerjan Slingerbergh de eerste persoon die mijn berekeningen met harde feiten tegenspreekt. Volgens Eric Goewie laat honger in de wereld zien dat er iets fundamenteel fout zit in onze harde, geïndustrialiseerde en rationeel gedachte manier van landbouw willen plegen. Maar als dat leidt tot de huidige voedingstoestand in die geïndustrialiseerde wereld, dan ruil ik het leventje van Afrikaanse boeren graag in voor die van een beetje chemie. Ikzelf heb geen overgewicht, loop er fit en gezonder bij dan menig Nederlander in 1900, en het eten smaakt me uitstekend. Bewust eten heeft niets met het productiesysteem te maken. Het lijkt erop dat ik eeuwig geduld moet betrachten voordat we werkelijk gezamenlijk onderzoek zullen oppakken.
De Onmogelijke Wetenschappelijke DiscussieDoor: Anoniem Dr. Ir. Prem Bindraban karakteriseert de reacties op zijn artikel in Ekoland 4, kortweg als onwetenschappelijk. Het criterium waarmee hij bepaald wat wetenschappelijk is en wat niet, is het falsificationisme van Popper. Falsificationisme wil zeggen dat het er in de wetenschap om gaat, beweringen te doen waarvan kan worden aangetoond dat ze niet kloppen. De bewering; alle zwanen zijn wit, kan door het waarnemen van een zwarte zwaan worden gefalsificeerd, waarmee wordt aangetoond dat de bewering niet klopt. Het falsificationisme kan worden afgezet tegen haar voorganger het positivisme (verificationisme). In het positivisme werd juist naar de bevestiging van een bewering gezocht, er werd gezocht naar zoveel mogelijk witte zwanen. In het licht van deze wetenschapstheorie doet Dr. Ir. Prem Bindraban dan de bewering dat het toedienen van stikstof kunstmest een hogere productie ten gevolge heeft. Een bewering die inderdaad openstaat voor een mogelijke falsificeering. Naar alle waarschijnlijkheid zijn daar wel test resultaten over beschikbaar, anders kan de bewering door een onderzoek instituut, ook een biologische, worden beproefd. Dr. Ir. Prem Bindraban gaat echter verder, hij trekt een bepaalde conclusie uit de genoemde bewering, namelijk dat het gebruik van stikstof kunstmest duurzaam is. Deze conclusie volgt er echter niet uit . Het maakt dan niet uit of het toedienen van kunstmest nu wel of niet zorgt voor een hogere productie, de conclusie die eruit wordt getrokken kan alleen worden ontwikkeld met behulp van allerlei niet expliciet genoemde en niet gefalsificeerde veronderstellingen, bijvoorbeeld over de aard van duurzaamheid. Het is echter een discussie over deze veronderstellingen die door Dr. Ir. Prem Bindraban als vaag en onwetenschappelijk terzijde wordt geschoven. Zoals Popper met het falsificationisme het positivisme overstemde, zo werd ook Popper naar de achtergrond verwezen door Lakatos, Feyerabend en Kuhn. Deze drie toonden gedeeltelijk onafhankelijk van elkaar aan dat de wetenschappelijke praktijk zicht niet voegt naar het door Popper ontwikkelde model, en dat dit ook niet hoefde. Beweringen staan nooit alleen, maar zijn altijd ingevoegd in een bepaald kader, Kuhn gebruikte voor dit kader de term paradigma. Een paradigma is kort gezegd dan het raamwerk dat bepaald welke problemen zich aandienen en op welke wijze zij worden opgelost. De gangbare (landbouw) wetenschap begeeft zich dan binnen een bepaald paradigma, dat daadwerkelijk gekenmerkt wordt door een reductionistische methode, dit geldt overigens ook voor de gangbare 'biologische' landbouwwetenschap. Een ander paradigma, dat van de biologische landbouw, heeft juist een holistisch karakter, er wordt uitgegaan van levende systemen. De verhouding tussen deze twee paradigma’s is een moeizame, zoals ook blijkt uit Dr. Ir. Prem Bindraban algemene reactie, deze reactie is dan een illustratie van het fenomeen van incommensurabiliteit. Incommensurabiliteit is dan een moeilijk woord om te zeggen dat een gemeenschappelijke maat ontbreekt waarmee twee paradigma's gemeten kunnen worden. Zonder gezamenlijke maat als basis is een echte discussie dan ook onmogelijk. Voor dit falsificationsime zie Popper, Karl. The Logic of Scientific Discovery Een beroemd voorbeeld is Feyerabend's analyse van de wetenschappelijke praktijk van Galileo Galilei. Zie Feyerabend, Paul. Against Method In Kuhn, Thomas. The Structure of Scientific Investigations. Een soortgelijk kader is bijvoorbeeld het door Lakatos gemunte research program. |
MenuEen kritisch geluid: Prem BindrabanReactie: Bertus Buizer, Buizer Advies Reactie: C.H. van Rijn Reactie: G.J.M. Oomen Reactie: Eric A. Goewie Reactie: Henk Kloen, senior adviseur CLM Reactie: Herbert van Rossen Reactie: Gerjan Slingenbergh, BD pluimveehouder Het moment voor een wetenschappelijke discussie lijkt nog ver weg: Prem Bindraban Reactie: Anoniem |






